Stedenmokken

Met Eenoog besprak ik de kwestie van mijn blog. Behalve de sensatie van de naderende verhuizing, is er namelijk weinig bijzonders te melden en dat is voor de gemiddelde bloglezer vast niet zo interessant. Ik wil jullie niet opzadelen met de antraciete muur waar het al drie weken over gaat (‘Wel!’ ‘Niet!’ ‘Wel!’ ‘Niet!’), de formulieren die inmiddels bij de huurmakelaar beland zijn (‘Wanneer zouden ze bellen?’), de drie lege woningen die in de flat gesignaleerd zijn door onze informanten of de eerste aanschaf voor Het Huis. Of beter gezegd, het eerste cadeau. Mijn moeder had namelijk koffiepunten afgestaan zodat ik de stedenmokken kon halen. Jawel, de stedenmokken, in prachtig antraciet (leuk voor bij de muur). Vanaf vandaag waren ze verkrijgbaar en ik ben er zelfs eerder voor uit mijn werk gegaan. De bedoeling was om vier maal Utrecht te bemachtigen en een mok van de provincies waar we vandaan komen. Maastricht was verkrijgbaar (ik zie Limburg als de provincie waar ik vandaan kom, ik kon een Rotterdam-mok onmogelijk verdragen), maar Zeeland was helaas niet vertegenwoordigd. Zelfs Tilburg niet, de stad waar we elkaar hebben leren kennen. Joure daarentegen wel (waar ligt dat?). Dus het werd Amsterdam, de stad waar we werken.
En nu heb ik toch nog alle drie lezers opgezadeld met een Huiskwestie….

Sigaretten

Vriend en ik kijken televisie en zien prinses Maxima en kroonprins Willem-Alexander.
K: “Hee kijk, Maxima en Willem-Salamander.”
S: “Wat zeg je nou? Salamander?”
K: “Ja zo noemde ik hem vroeger wel eens. Klonk goed.”
S: “Hij is maar mooi met Maxima getrouwd. Hoewel, dat zal ze vast ook niet gedaan hebben omdat hij zo knap is.”
K: “Nou, hoezo? Ik had laatst dat artikel geschreven over dat ene boek over haar en ik geloof wel echt dat ze voor hem als persoon is gevallen. Dat moet wel.”
S: “Kirsten, ze heeft een contract getekend waarin ze afstand doet van haar kinderen bij scheiding. Dat doe je niet zomaar. Dat doe je voor geld.”
K: “Dat contract heeft niemand ooit bevestigd gekregen. En trouwens, ze is de moeder, je kunt een moeder haar kinderen echt niet afnemen, want die zijn minstens net zoveel van haar.”
S: “Als ik vier euro in een sigarettenautomaat stop en een pakje uit de automaat pak en in mijn jaszak stop, van wie is dat pakje sigaretten dan? Van de automaat of van mij?”
K: “Ooooh!”

Kindness falls like rain

Maandagavond 20.00 uur. Een gevuld Ahoy waar achtduizend Counting Crows fans staan, is twee minuten muisstil. Je kunt er echt een speld horen vallen. Op mijn armen voel ik kippenvel ontstaan en vraag me af waar iedereen aan denkt. Vermoedelijk denken we allemaal hetzelfde: wat fantastisch dat zoveel mensen zo ongelofelijk stil kunnen zijn.
Een uurtje later voel ik weer kippenvel komen. Na een knallend begin bevinden Adam Duritz en zijn bandleden zich in een tussenstuk met rustige nummers. Colorblind is bezig, beter bekend als mijn uitvaartliedje, en ik heb zelden zo’n mooie uitvoering gehoord of gezien. Naast me vraagt Vriend of ik niet wil nadenken over een wat vrolijker liedje.
De kippenvel maakt niet veel later plaats voor een vreemd soort verliefdheid. Ik had vurig gehoopt om Anna Begins te horen, mijn lievelingsnummer (ja lieve mensen, daar komt mijn hyve/msn zinnetje ‘when kindness falls like rain…’ vandaan). Ik hoor de bekende drum, ik zie Adam naar de microfoon lopen en ik ben zo blij als een kind. Vier minuten ben ik een vreemde trance en terwijl ik de woorden meebrabbel, zie ik vanuit mijn ooghoek dat Vriend mij in zich opneemt. Maar het is heel even mijn momentje.
Het momentje is weg als een (derde!) piano het podium op wordt gerold, Charlie zijn harmonica pakt en voor op het podium gaat staan. Adam schuift achter de piano. Iedereen weet dat A Long December gaat beginnen, altijd goed voor meezingers, en ook Adam begrijpt wat we denken: “Yeah that took the whole surprise away I guess”, om vervolgens een vreemd verhaal over een eland en een vliegende eekhoorn te vertellen. Als hij ook nog eens een lief deuntje inzet over een paar vleugels, dat mij volslagen onbekend in de oren klinkt, is A Long December alweer vergeten. Maar gelukkig zet hij daarna de bekende pianoklanken in en is de avond helemaal af.
Als kers op de slagroomtaart eindigen de heren met Holiday in Spain. Zonder Blof, maar met Adam die een keer heel dapper “Neem ik Spanje als besluit” zingt. “Well, at least I can sing one line in Dutch! Pascal would be so proud of me!”
Na Pinkpop en RockinPark dacht ik dat het niet leuker kon worden, maar het is gelukt. Het was een fantastische avond en voor een paar uur was ik mijn vermoeidheid helemaal kwijt.
Dsc00120

Tweet tweet

Als redacteur van een vrij middeleeuws medium, heb ik het niet zo op Nieuwe Media. Alles leuk en aardig, maar die nerds met hun internet moeten niet de traditionele printmedia omver blazen. Niet dat ik geloof dat ze het kunnen, want vrouwen liggen het liefst in bad met een blad en niet met een laptop, maar huiverig ben ik soms wel. En een beetje schijnheilig ook, want de meeste interviewkandidaten vind ik via internet. Hyves is toch de meest laagdrempelige manier om mensen te benaderen en soms vraag ik me af hoe journalisten in de jaren negentig aan hun mensen kwamen. Ze hadden nog niet eens internet! Alleen een telefoon!
Afijn. Waar ik de ‘oude media’ vertegenwoordig, is Vriend meer van de nieuwe media. En in het kader van de studie doet hij ook aan twitter. Ik snap daar niets van. Ik zie het nut niet in van 300 verschillende profielen- en contactsites en ik zie al helemaal het nut niet in van elk uur een regeltje posten over het feit dat je net koffie op hebt, een boek leest of nodig naar het toilet moet. Ja echt, die vormen neemt het aan. Ik ben best geinteresseerd in andere mensen, maar er zijn grenzen. Zeker als ze dan ook nog termen als w000t gaan gebruiken (als je iets leuk vindt, schrijf je gewoon: ‘leuk’. Daar hoef je geen raar woord voor te bedenken met drie nullen erin).
Afijn deel 2. De frustratie zit ‘m in het feit dat sommige mensen alle babbelsites aaneen willen koppelen. Dus zie ik op msn wat iemand op dat moment op itunes luistert en krijg ik op hyves telkens te zien wat iemand twittert. En dat was de spreekwoordelijke druppel. Als ik iemands twittergeleuter wil lezen, ga ik wel naar twitter. Daar hoeft mijn hyves niet mee vervuild te worden. In een opmerkelijk chagrijnige bui plaatste ik bij de WieWatWaar van Hyves het vriendelijke verzoek of twitteraars hun getweet voortaan gewoon weer op twitter konden doen, zodat wij hyvers ons gehyve op hyves konden blijven doen. Het zal je verbazen, maar het werkte. Direct. Toch wel handig en snel soms, dat nieuwe media.

Stoere Fiets

Ik heb hem bestempeld als de beste aankoop van 2008. Mijn zwarte fiets met het gele hangslot. Ik ben op mijn stoerst als ik op dat ding door Amsterdam cross, al zeg ik het zelf. Ipod in, vooral geen handen uitsteken, een regelrechte kamikazepiloot. En het loopt altijd goed af.
Fiets en ik zijn inmiddels al beroemd. Tijdens een pauze ving ik eens een gesprek op over de tekst op mijn zadel (reclame voor de fietsenzaak waar Fiets vandaan komt) en kon ik een verlossend antwoord geven op de prangende vraag waar Laag Catharijne op sloeg (Amsterdammers zijn niet zo bekend met de begrippen Hoog en Laag Catharijne). En collega H. heeft het altijd over het gele ‘crisisslotje’ sinds Fiets een paar dagen onder haar hoede was. Te dun om de Amsterdamse straat te overleven, vond ze. Maar ha! Crisisslotje overleeft alles. Zo trof ik vorige week Fiets treurig aan. Er zaten twee sneeen in het hangslot, door het plastic heen. Twee groeven markeerden de punten waar de zaag het metaal had proberen te breken. Het was niet gelukt. Collega H. is sindsdien overtuigd en roept op z’n Amsterdams: ‘Crisisslotje is the bomb!’
Dat Fiets uberhaupt Amsterdam-proof is, bleek afgelopen maandag. Het woei. En ik ben niet opgewassen tegen windvlagen. In mijn middelbareschooperiode ben ik al eens bijna de sloot ingewaaid, dat zegt genoeg. Zo fietste ik maandag langs een boom toen er een windvlaag van rechts kwam. Er viel niets aan te doen. Fiets ging naar links, de boom naderde. Hard. Te hard. Fiets en ik hingen om de boom heen. Het stuur prikte akelig in mijn buik. Een snelle blik leerde dat alleen de lamp van Fiets een beetje scheef stond. Al fietsend (en denkend: heeft niemand dit gezien?) boog ik hem weer terug. Twee dagen lang heb ik met buikpijn gelopen, de fiets had niets. Fiets is stoer. Stoerder dan ik.

Bureaucraatje

Formulieren invullen is leuk. Dan mag ik met hoofdletters schrijven, dingen doorstrepen die niet van toepassing zijn en mijn sofinummer (herstel: burger service nummer) uit mijn hoofd opdiepen. En daar houd ik van. Op deze prachtige zondagmiddag buig ik me over de formulieren voor een woning. Ik moet Hele Belangrijke Zaken invullen, zoals of ik een muziekinstrument heb (tellen pandeksels?) en het ras van eventuele huisdieren. In woningtermen heb ik een ‘partner’ en dat is natuurlijk helemaal een dijenkletser. Want zoals ik me niet kan voorstellen dat ik Vriend ooit ‘man’ ga noemen als we zouden zijn getrouwd, zo kan ik ook weinig met het woord ‘partner’. Dat klinkt als iemand met wie ik een bedrijf run. Maargoed, blij dat ik er eentje heb, vul ik ook zijn gegevens in. Behalve het sofinummer dan, want dat weet ik niet uit mijn hoofd.
Het is de eerste echte lentezondag dit jaar. De schuifpui staat alweer open, waardoor de formulieren af en toe een beetje wapperen. Hoe graag ik ook een plekje voor onszelf wil, ik zal mijn tuinkamertje ergens ook heel erg gaan missen… De laatste zomer in Lunetten gaat in en belooft een hele mooie te worden.

Crisis

De kredietcrisis kwam in twee weken tijd heel dichtbij toen in mijn omgeving meerdere lieve mensen ontslagen of wegbezuinigd werden en eerder behaalde resultaten geen garantie meer bleken te zijn voor de toekomst. Zoals ze eigenlijk nooit waren. Wat we dan weer hadden kunnen leren in het verleden, eigenlijk.
Wat moet je doen in tijden van crisis? De economie een zetje geven. Consumeren. Meneer Baggen heeft het me goed geleerd op de middelbare school. Dat was slechts theorie, want ik ben geboren in de jaren tachtig. Enige vorm van recessie ging aan mijn kleine neusje voorbij en zodra ik iets kreeg wat op bewustzijn leek, groeiden de bomen tot de hemel. Tijd om de theorie eens in de praktijk te brengen.
Dus daar ging ik, samen met mam naar Amsterdam. Eerst ‘s middags shoppen en ‘s avonds lekker uit eten en naar de musical Footloose in Carre. Dat was swingend, dus genieten geblazen. Onlangs hoorde ik dat juist in recessies mensen neigen naar gezellig vermaak zoals musicals en Zeg eens Aaaa. Bij dat laatste kan ik me weinig voorstellen, maar voor musicals geldt zeker dat het me heel even in een volledig andere wereld plaatst. Eentje waar ik middenin wil staan.
Twee dagen later zat ik met Vriend in de Schouwburg van Arnhem, voor de voorstelling Lijnrecht van Introdans. Wederom prachtig om de groep te zien dansen. Vriend vindt dans al snel ‘artyfarty’ maar deelde ter plekke gelukkig mijn enthousiasme voor stukken van Hans van Manen (en hysterische klavecimbeltjes). Hij stootte me aan en fluisterde: “Dat meisje daar lijkt wel een beetje op jou. Zo is het net of jij daar op het podium staat.”
Gelukkiger kon hij me niet maken. Anderhalf uur lang bestonden er geen contracten, krapte op de huurwoningmarkt en andere recessieperikelen. Dans is mijn ultieme middel tegen de recessie. Of moet ik misschien mijn middelste naam vervangen voor ‘struis’?

Ramptoerisme

Eigenlijk had ik op mijn eenentwintigste levensjaar besloten geen razende reporter meer te willen zijn. Ik stond erbij en keek ernaar, die middag, toen een vrachtwagen een supermarkt binnenreed en het de vraag was hoeveel mensen in die uren hun dood vonden in de brandende massa. Ik haalde de voorpagina met mijn artikel maar ging van ellende een uur in bad liggen. Ik wilde geen meer ooggetuigenverslagen optekenen terwijl ik niet kon helpen. Definitief koos ik voor het segment vrouwenbladen.
Tot ik woensdagmiddag in de trein zat, onderweg naar de redactie na een interview op locatie. Smsje van de chef: “Vliegtuig verongelukt bij Schiphol. Kun jij erheen?”. De adrenaline stroomde door mijn lijf. Op naar Schiphol. Er was vreemd genoeg niets te beleven, dus sprong ik in een taxi naar Badhoevedorp, waar de slachtoffers werden opgevangen. Ik voelde me weer een razende reporter en beleefde hetzelfde als vijf jaar geleden. Ambulances reden af en aan, de een nog voller dan de ander. De marechaussee probeerde de cameraploegen op afstand te houden. Journalisten liepen in de weg en besprongen iedere niet-agent die uit het opvangcentrum kwam gelopen. Ik liep terug naar de taxi en vroeg of we weg konden. De taxichauffeur, een Egyptenaar die zich ernstig zorgen maakte over de hele toestand, keek me meewarig aan. Hij was druk aan het bellen, in een taal die ik niet verstond, en ik voelde dat ook hij bol van de adrenaline stond. Op naar het ziekenhuis in Haarlem, hopend dat ik daar wel familieleden van overlevenden zou treffen. De taxichauffeur scheurde met 140 km per uur over de vluchtstrook, de file naast ons negerend.
Na een lange dag eindigde ik op de plek waar het allemaal mee begon: het weiland naast de A9 waar het wrak lag. Na een gesprek met omwonenden die als eerste bij het vliegtuig waren om overlevenden te helpen, tuurde ik het donker in. Enkele overledenen zaten nog in de cabine, maar dat kon ik niet zien. De taxi zou me op komen halen. Ik was moe, had het koud en verlangde weer naar een warm bad, maar schaamde me voor die gedachtes omdat ik tenminste nog springlevend was. De hele dag had ik me bezig gehouden met 135 mensen die een vliegtuigongeluk hadden meegemaakt, zonder dat ik hen had kunnen helpen. Hopelijk helpt het artikel dat ik nog moet gaan schrijven dan maar een beetje bij aan de geschiedschrijving.

Vluchteling

Terwijl ik dit typ, zit ik aan een groot bord Pasta di Kirsten. Penne met rucola en heel veel pecorinokaas. Samen met pannenkoeken met ijs is het mijn lievelingskostje. Niet goedkoop overigens, door de kaas. Ik geniet er meer van dan ooit, sinds ik voor ons blad vijf dagen lang op een vluchtelingenpakket heb geleefd. Dat betekende: slapen op een matje, zelf brood bakken en kale spaghetti naarbinnen slurpen. Wilde ik iets anders, dan moest ik op straat gaan ruilen. Oja, douchen kon ook niet, dat moest met water uit een jerrycan.
Mijn moeder verklaarde me voor gek en mailde me na twee dagen om te stoppen met dit krankzinnige project. Ik zei ja, maar ik deed nee. Op de derde dag viel ik bijna flauw van de vermoeidheid en de honger, op de vierde dag kreeg ik last van hardnekkige buikpijn. Ik voelde me een dakloze toen ik op straat mijn spaghettistengels wilde ruilen voor fruit en iedereen me voorbij liep. De vijfde dag hield ik het dan eindelijk voor gezien, mijn broek zat ondertussen veel te ruim. De dagen daarna moest ik voorzichtig weer beginnen met alles eten zonder meteen buikpijn te krijgen. Maar ik sliep als een roos in mijn warme bed.
De reportage is deze week te lezen. Misschien geeft het niet weer hoe een vluchteling in Afrika moet zien te overleven, maar voor mij was de missie geslaagd. Voor het eerst in mijn leven staarde ik urenlang naar het plafond op een matje en maakte ik mee wat echte honger is. Daardoor besef ik eindelijk pas wat voor luxepaard ik ben. Ik laat de pasta me dubbel zo goed smaken en zorg dat er geen restjes over blijven. Weggooien is zonde, ik weet dat ze er elders om zouden vechten.

Help!


De nieuwe Samsung. De nachtmerrie voor iedere synestheet...